Na ons korte afscheid ritueel in het hospice lopen wij mee naar buiten met de naasten van de overleden bewoonster. Buiten wordt een van de kleindochters overmand door emoties. Een vrijwilliger fluistert: “Moeten wij geen tissues geven?” Ik hoor mijn collega antwoorden: “Niet elke traan heeft een zakdoek nodig.”
En ze heeft gelijk.
De tranen worden weggeveegd met een mouw. Even later hervindt de jonge vrouw haar rust. Wij blijven op gepaste afstand staan. Wanneer de rouwstoet het terrein verlaat, wordt de kaars uitgeblazen. Ik wens de naasten kracht en troost voor de komende tijd.
Later, thuis, blijven de woorden van mijn collega door mijn hoofd gaan. Niet elke traan heeft een zakdoek nodig. Tranen horen bij verdriet, bij verlies, bij afscheid nemen van iemand die je lief is. Ze komen in allerlei vormen. Dappere tranen die haastig worden weggeveegd met een mouw of de achterkant van een hand. Tranen die worden weggeslikt en achter je ogen blijven branden. Tranen die een loopneus veroorzaken, stille zoute tranen die langzaam over je wangen stromen. Tranen die je proeft wanneer ze langs je mond glijden.
En soms zijn het tranen die nog lang na een verlies blijven komen, onverwacht en ongevraagd. Omdat gemis zich niet houdt aan tijd of aan rituelen.
Misschien hoeven tranen ook niet altijd meteen gedroogd te worden. Soms vragen ze alleen om ruimte. Om aanwezigheid. Om iemand die niet wegkijkt en ook niet direct probeert te troosten of op te lossen. Verdriet laat zich niet haasten; het zoekt zijn eigen weg.
Die middag in het hospice besefte ik opnieuw dat zorg soms juist schuilt in het niet doen. In het stil aanwezig blijven bij het verdriet van een ander. Zonder haast, zonder woorden, zonder onmiddellijk een zakdoek aan te reiken. Want niet elke traan heeft een zakdoek nodig. Sommige tranen moeten eenvoudigweg kunnen vallen.
@Marieke